Je hebt besloten om tropische vogels in huis te nemen, leuk! Maar hoe kies je een geschikte kooi of volière uit? Waar zet je de kooi neer, en hoe richt je deze in? De komende weken neem ik je hierin mee.
Binnen of buiten?
Je kunt tropische vogels zowel binnen als buiten in een kooi of volière houden. Voor een buitenvolière moet hierbij een (verwarmd) binnenverblijf beschikbaar zijn waar de vogels tijdens de koude winterdagen verblijven. Bij temperaturen onder nul vinden de vogels het buiten namelijk minder fijn – ze zijn niet voor niets tropisch 😉
Het belangrijkste om te onthouden is dat vogels nooit zomaar van binnen naar buiten kunnen verplaatsen (en andersom) als de temperatuurverschillen groot zijn. Als je bijvoorbeeld een vogel in de winter in één keer van een binnen- naar een buitenverblijf verplaatst, dan is de vogel niet gewend aan de lage temperatuur en raakt onderkoeld. Andersom kan een vogel ook oververhit raken als deze ineens naar binnen gaat. Wacht daarom tot het voorjaar (april / mei) voordat je vogels naar buiten brengt. En andersom: als je de vogels naar binnen brengt, zet ze dan eerst in een aparte kamer waarin je de temperatuur laag houdt en langzaam aan verhoogt.
Type en grootte van de kooi of volière
Je kunt kooien en (binnen)volières kopen in allerlei vormen en maten. Uiteindelijk maakt het niet heel erg uit welke soort je koopt, zolang deze maar groot genoeg is voor het aantal vogels dat erin zit. Ik raad wel aan om een stevige kooi te kopen; ik heb al eens een model gekocht dat ‘inklapbaar’ was, maar waar vervolgens de lades heel moeilijk van wilden schuiven en de bodem te makkelijk eruit kwam…
Het allerbelangrijkste voor alle vogels is dat zij voldoende vliegruimte hebben in hun kooi. Hierbij telt vooral de breedte van de kooi – vogels vliegen toch vooral horizontaal. Hoe groot de kooi moet zijn hangt daarnaast ook af van de soort en het aantal vogels dat je hebt. Toen ik met één koppel zebravinken begon had ik een kooi van 70 cm breed (en 80 cm hoog), dat is ook wel het absolute minimum voor zebravinken. Maar voor gouldamadines wordt bijvoorbeeld al een minimale breedte van 120cm aangehouden.

Toen ik besloot om meer vogels te nemen ben ik naar een flink groter model gegaan, namelijk een kooi van 150 cm breed en 160cm hoog. Dit geeft de vogels de ruimte om hun eigen ding te doen. Daarnaast is het ook in het broedseizoen een stuk comfortabeler. Veel koppels zijn wat fel in het verdedigen van hun nest en zo kunnen de andere vogels ver genoeg uit de buurt blijven. In deze kooi houd ik nu tien vogels (vijf koppels), meer ook niet want in het broedseizoen wordt het waarschijnlijk al aardig druk.

“Vliegen jouw vogels ook los?”
Ik krijg vaak de vraag of mijn vogels ook los rondvliegen in huis. Het antwoord is kort: nee. Ik heb het aan het begin wel onderzocht of dit nodig en nuttig is voor de vogels. Maar mijn oudoom zei toen de wijze woorden: “Doe het niet, je krijgt ze nooit meer te pakken!”.
Grotere vogels zoals parkieten en papagaaien (in de vogelwereld worden ze kromsnavels genoemd) hebben relatief veel vliegruimte nodig en worden daarom minimaal 1x per dag uit hun kooi gelaten. Het grote verschil is dat deze vogels tam gemaakt worden en aanleren om terug in hun kooi te gaan.
Kleinere vogels zijn wat dommer en kunnen niet aanleren om hun kooi terug te vinden. Ze hebben daarnaast veel minder vliegruimte nodig en daarom hoeven ze ook niet los te vliegen. Het scheelt daarnaast ook in wat praktische zaken; losvliegende vogels poepen namelijk ook overal, en je moet bijvoorbeeld de ramen afschermen zodat ze niet daartegenaan vliegen.
Volgende keren…
Nu weet je hoe groot jouw kooi moet zijn. Waar zet je deze neer, hoe richt je deze in en welke bodembedekking kies je? Dat vertel ik je in de rest van deze blogserie!

Geef een reactie